Wie
Tjomme en Jan-Hein Reeringh zijn broers, hebben een lange en brede ervaring in diverse bands, schreven en regisseerden vele cabarets en musicals en produceerden CD´s. Jan-Hein studeerde bestuurskunde en Tjomme theologie en literatuurwetenschappen.
Interview met Tjomme (T) en Jan-Hein (JH) Reeringh
Waar halen jullie je inspiratie vandaan voor een cabaret?
T: Het leuke van cabaret op maat is natuurlijk dat je je voor elk cabaret verdiept in een bedrijf of een persoon. De opdrachtgever levert zelf een groot deel van de informatie aan. Die begint dus al met nadenken over wat interessant of leuk en relevant is om aan ons te vertellen. Hoe iemand dat dan formuleert, is vaak al erg inspirerend, omdat er grappige gedachten naar voren komen. Veel mensen hebben zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben een originele blik op hun eigen omgeving.
JH: Inderdaad. Bovendien hoor je daar vaak al betrokkenheid én kritiek doorheen klinken. Daar krijg je meteen ideeën van.
Wat vind je het mooiste aan optreden?
JH: Als cabaretier wil ik mensen laten lachen, ze op hun gemak laten voelen en ze raken. Het is een mix van ontroering, ontlading en verbeelding.Als buitenstaander kun je dingen zeggen die mensen normaal gesproken nooit tegen elkaar zouden zeggen, maar wel eens een keer gezegd zouden willen hebben. Omdat er een ‘cabaretier’ staat, kan het ineens wel en wordt er hard gelachen.
T: Ha ha! Dat klopt! Ik kan ook echt een kick krijgen als je een zaal kunt meenemen, als je zó’n contact hebt dat je mensen langer of harder kunt laten lachen of een spanning kunt rekken. Of helemaal opgaan in een rol. Als je dat geloofwaardig en natuurlijk doet ervaart het publiek je echt als iemand anders. En dan kun je de raarste dingen zeggen!
JH: En muzikale diversiteit. We spelen graag verschillende nummers. Mooie liedjes, lullige liedjes en dan ineens een strakke rocksong!
Wie zijn jullie grote voorbeelden?
JH: Dat zijn er nogal wat, maar Freek de Jonge/Neerlands Hoop, Hans Teeuwen en Toon Hermans zijn voor mij dé grote Nederlandse drie.
T: Daarnaast zijn Frank Zappa, Bill Hicks en Wim T. Schippers absoluut onmisbaar.
Dat zijn behoorlijk diverse namen en niet eens allemaal cabaretiers..?
JH: Ik denk dat Toon Hermans, Freek de Jonge en Hans Teeuwen drie dingen gemeenschappelijk hebben: ze spelen met taal, ze maken muziek en ze zijn puur. Op het podium zijn ze helemaal zichzelf. Wat voor bizar of juist doodnormaal verhaal ze ook vertellen, je wordt er helemaal in meegezogen.
T: Dat geldt ook voor Frank Zappa, Bill Hicks en Wim T. Schippers. Het knappe is dat zij elk op hun eigen gebied echt grote vernieuwers zijn geweest.
Wat is het verschil tussen een groot en een klein publiek?
T: Bij een klein publiek kun je vaak wat dieper gaan en persoonlijker dingen zeggen. Iedereen kent elkaar meestal goed en herkent meteen waar het over gaat. Je hebt de aandacht sneller en dat kun je gebruiken om meteen iedereen erbij te betrekken. Bij een groot publiek moet je de grootste gemene deler vinden. Dat lukt het beste door specifieke kenmerken of ervaringen toch algemeen herkenbaar te verbeelden.
JH: Het maakt mij niets uit of het een groot of klein publiek is. Het gaat er om wát voor publiek het is, hoe de sfeer in een groep is.
Wanneer is een optreden geslaagd?
JH: Als er veel gelachen wordt en als iedereen betrokken is. Je kunt nooit iedereen afzonderlijk benoemen natuurlijk, maar het is de kunst om dat gevoel toch voor alle aanwezigen op te roepen. Als je iedereen ziet kijken van ´Ja! Dat klopt! Zo is het!´, dan weet je dat je de juiste snaar hebt geraakt.
T: Soms heeft bijvoorbeeld een secretaresse of een personal assistant de informatie verzameld. Die zie je dan tijdens het optreden benauwd kijken wanneer haar baas beetgenomen wordt. Het mooie is dat zo’n baas dan juist enorm zit te glunderen, want hij weet ook wel hoe hij in elkaar steekt en hoe mensen hem zien, alleen hoort hij dat nooit. De baas even op zijn nummer gezet, toch zijn ego gestreeld, secretaresse blij, iedereen hard lachen: dat is fantastisch!



